Archive for the ‘Uncategorized’ Category

hysterectomie na chirurgie voor endometriose

Sunday, August 28th, 2011

Een patiente schreef  27-8-2011 : 

Hallo , prof

Ik ben ………………., word 31jaar ben in december 2004 bij u geweest en u hebt toen een kijkoperatie gedaan en hebt toen vast gesteld dat ik endometriose heb. ik heb nu reeds twee kinderen en neem nu sinds november 2009 cerazette de mini pil constand door in nu heb ik terug de klachten van endometriose terwijl ik die mini pil neem en krijg geregeld bloedingen en nu overweeg ik voor mijn baarmoeder te laten uithalen door de genecoloog waar ik nu inbehandeling ben , zelf heb ik geen kinderwens meer wat zou u mij kunnen aanraden

De behandelende genecoloog heet ………….hij werkt in ………….. ziekenhuis

Hartelijk dank en vriendelijke groeten ………………

Antwoord

Geachte Mevrouw,

Hartelijk dank voor de info. Het doet me plezier te horen dat u na de ingreep 2 kinderen gekregen hebt en dat tot nu alles in orde was .

Bloedingen onder cerazette zijn eigenlijk normaal en komen voor bij meer dan 7% voor bij de vrouwen die een progestageen alleen nemen zoals een minipil.

Over de  (pijn)klachten die u hebt en over de indicatie van hystrectomie kan ik uiteraard niet oordelen met de beperkte  informatie.  Wel zou ik u suggereren met uw gynaecoloog de volgende elementen te bespreken

1. Wordt een recidief diepe endometriose vermoed ?

Recidief van (diepe) endometriose is zeldzaam, maar bestaat.  Zijn er elementen in het type pijnklachten of in het klinisch onderzoek dat een recidief van endometriose waarschijnlijk maken
een echografie kan zelden de diagnose geven omdat het onderscheid met fibrose na de vorige ingreep moeilijk zo niet onmogelijk is. Idem voor MRI or andere beeldvorming.
Als er geen recidief endometriose vermoed wordt kan er nog een indicatie tot hysterectomie zijn  voor de andere redenen voor chronische pijn.

2. Als er een recidief endometriose vermoed wordt is dit niet direct een indicatie tot hysterectomie : ik vermijd immers chirurgie voor diepe endometriose (met het risico op darmaantasting) en een totale hystrectomie samen uit te voeren  om te vermijden  2 suturen én op de darm én van de vagina  naast elkaar te hebben.

3. Voor de ingreep zelf stellen zich 3 fundamentele vragen

wat zal er met de eierstokken gebeuren : tenzij ernstige aantasting met endometriose dienen dezeniet te worden verwijderd.
wat zal er gebeuren als er toch een recidief van ernstige endometriose wordt gevonden :  zal men de ingreep stoppen en verwijzen of zal men een laparotomie doen, eventueel de chirurg bijvragen om een darmresectie te doen.
zal er totale of een subtotale hysterectomie gebeuren. Ik neem aan dat  alles ten minste laparoscopisch gebeurt

Vriendelijk Groeten

Prof P.R. Koninckx

Nutteloze en vermijdbare darmresecties voor diepe endometriose.

Sunday, July 31st, 2011

Samenvatting van de voordracht gegeven op het kongres in Avelino 7-7-2011 en op de IRCAD workshop in Taiwan 17-7-2011

Chirurgie voor diepe endometriose bestaat erin de ganse nodulus weg te nemen, of door enkel de nodulus weg te snijden of door een darmresectie te verrichten.

Het wegnemen van alleen de endometriosenodulus zonder darmresectie  is bijna steeds (meer dan in 95%) mogelijk voor de laag gelegen endometriose en in 90% van een hoger gelegen sigmoid nodulus als de chirurg hiervoor de nodige expertise heeft. De pelvische chrirug zal immers tijdens de ingreep beslissen of een darmresectie nodig is. Indien er bovendien een ureterstenose is kan dit steeds terzelfdertijd worden behandeld.   Darm en ureter chirurgie gebeurt in samenspraak met abdominale heelkunde en urologie maar het is de gynaecoloog-pelvische chirurg die beslist, en bijna steeds de ingreep uitvoert .

Minder ervaren gynaecologen vragen vaak de abdominaal chirurg en/of de uroloog om het deel van de chirurgie uit te voeren dat ze zelf niet kunnen.  Realiteit is dat in dat geval bijna steeds een darmresectie wordt uitgevoerd voor nodulussen van meer dan  cm.

De 3 redenen waarom een darmresectie moet worden vermeden

Een darmresectie is vaak nutteloos.  Dit wordt pas duidelijk als achteraf microscopisch geen endometriose wordt gevonden (dus verkeerde diagnose)of wanneer achteraf blijkt dat de endometriose buiten de  darm gelegen is, zonder infiltratie van de spierlaag (dus niet nodig)

een darmresectie is niet nodig want het kan eenvoudiger terwijl de resultaten niet beter zijn

een lage darmresectie gaat gepaard met levenslange complicaties zoals 30% blaasklachten, 30% darmklachten en 40% sexuele problemen als anorgasmie

Hoe kan de patient oordelen of een darmresectie nodig zals zijn : dit is voor de patient moeilijk beoordeelbaar. Het enige houvast is aan de gynaecoloog te vragen hoe groot de nodulus geschat wordt en wat zijn percentage darmresecties is voor dit volume. Als de gynaecoloog bereid is een videoregistratie van de ganse  ingeep  te maken en u een kopij te geven dan is hij waarschijnlijk voldoende zelfzeker.

Kan de patient achteraf weten of een darmresectie nodig was ?  Ja, het volstaat het microscopisch onderzoek van de darm op te vragen en de diepte van de infiltratie na te kijken. Indien een volledige videoregistratie beschikbaar is, dan is de beoordeling uiteraard vrij makkelijk.

Besluit : vermijd nutteloze darmresectie en kontroleer als patient of een darmresectie wel nodig was

 

P. R. Koninckx

 

Reanastomose na eileider sterilisatie

Thursday, December 23rd, 2010

enkel in het engels beschikbaar : click hier

fyto-oestrogenen en menopause behandeling

Thursday, December 24th, 2009

Voor volledige versie van het artikel

Het artikel van Philippe Koninckx over de veiligheid en effectiviteit van phyto-oestrogenen verdient nuancering. De interesse van de wetenschap gaat met name uit naar en specifieke groep phyto-oestrogenen, namelijk de isoflavonen. Isoflavonen komen voornamelijk voor in peulvruchten, zoals soja, bonen, erwten en peulen. Peulvruchten zijn een rijke bron van eiwitten en hebben eeuwenlang deel uitgemaakt van de dagelijkse voeding van honderden miljoenen mensen over de hele wereld. Dit feit alleen al geeft een sterke aanwijzing voor de veiligheid van isoflavonen. Met de introductie van de koelkast werd het mogelijk om dierlijke bronnen van eiwitten te bewaren en werden peulvruchten vervangen door o.a. vlees en zuivel. Epidemiologische studies door onder andere Adlercreutz et. al. hebben aangetoond dat er een correlatie is tussen een verminderde consumptie van isoflavonenrijke voeding en een hogere incidentie van “welvaartsaandoeningen” waaronder osteoporose, prostaataandoeningen, overgangsklachten en bepaalde soorten kanker. Dit is een tweede aanwijzing dat isoflavonen positieve effecten op de gezondheid hebben. In tegenstelling tot wat in het artikel gesuggereerd wordt, zijn er wel studies waarin isoflavonen (uit rode klaver)een significante vermindering van overgangsklachten, een vermindering van verlies van botweefsel, een significante verbetering van vaatelasticiteit en een significante verbetering van de HDL/LDL ratio laten zien. En daarnaast kon worden aangetoond dat gebruik van isoflavonen geen verandering liet zien in borst- of baarmoederweefsel en daardoor veilig is voor langer gebruik. Van veel synthetische hormonen, zoals ze gebruikt worden in tradionele Hormoon Therapie (HT) bij vrouwen in de overgang, is inmiddels wel aangetoond dat ze grote gezondheidsrisico’s met zich mee kunnen brengen. Daarnaast blijken o.a. gesuggereerde positieve cardiovasculaire effecten uit te blijven. Langdurige HT wordt daarom ook door The North American Menopause Society NAMS – niet de eerste de beste!- afgeraden. Als eerste lijn van behandeling wordt nu door NAMS, naast leefstijl veranderingen, geadviseerd om eventueel een natuurlijk supplement met isoflavonen te gebruiken. Met de veiligheid van deze specifieke groep phyto-oestrogenen in doseringen die overeenkomen met die in tradionele, isoflavonenrijke voeding (tussen de 40 en 100 mg isoflavonen per dag) lijkt dus vooralsnog niets mis te zijn. Het is echter wel mogelijk dat andere phyto-oestrogenen, die niet normaal in het menselijk voedingspatroon horen, zoals uit hop of uit Cimicifuga, een ander veiligheidsprofiel hebben.

Antwoord

Het artikel waarop gereageerd wordt werd geschreven in 2004 naar aanleiding van de introductie van Hopeine. De stellingen die ik toen innam blijven voor zover ik weet globaal genomen integraal overeind.

De net gepubliceerde reaktie op dit artikel verdient een antwoord

* Het is dubbel onjuist te concluderen dat het feit dat  een stof in sommige voedingsbestanddelen zit een argument is dat deze stof veilig is.  Een, men kan hooguit concluderen dat deze voedingsbestanddelen niet aangetoond schadelijk zijn.  Een conclusie over sommige bestanddelen is niet mogelijk omdat deze groenten zoveel andere bestanddelen bevatten.    Veiligheid van een chemische stof hangt dikwijls samen met de dosis , zodat extracten met concentratie een heel andere toxiciteit zou kunnen hebben.
* het tweede argument over een epidemiologische associatie tussen meer welvaartsproblemen en minder isoflavonen gebruik is enveneens wetenschappelijk onjuist. Een associatie laat bijna nooit toe een causaal verband te laggen. Bovendien ziijn er over dezelfde periode zoveel andere veranderingen opgetreden dat het intellectueel oneerlijk is alls te willen terugbrengen to isoflavone
* mij zijn geen echt valabele studies bekend die de aangehaalde effecten duidelijk aantonen. Gezien de vele tegenstrijdige conclusies lijkt enkel een grondige meta-analyse  Mits bewijs van het tegendeel wil ik zeker deze stelling herzien.
* de voordelen – niet de risico’s zoals verkeerdelijk wordt gesteld- van oestrogenen  worden uitvoerig besproken op www.gynsurgery.be.
* stellen dat isoflavonen waarschijnlijk geen risico’s bieden is volkomen terecht. Dit was echter niet het probleem. De vraag is of deze producten ook effectief zijn en of de beweringen kunnen worden hard gemaakt. .




Kwaliteitskontrole van Chirurgie als besparing.

Sunday, October 11th, 2009

Het is duidelijk dat een medicament grondig getest is alvorens het op de markt komt terwijl er voor een chirurgische behandeling weinig kontrole bestaat.  Voor hetzelfde probleem gebeuren vaak heel verschillende operaties  (bv met laparoscopie of laparotomie ;  veel meshes worden gebruikt zonder grondig  getest te zijn enz ) terwijl de vaardigheid en de ervaring van de chirurg , de belangrijkste factoren  voor de kwaliteit van de individuele ingreep, niet gekontroleerd wordt.

Bij herhaling heb ik een lans gebroken voor systematische videoregistratie van ingrepen iets wat veel problemen zou kunnen oplossen of voorkomen , iets dat geneeskunde beter en goedkoper kan maken.

Minder kosten voor medicolegale problemen. Uit een videoregistratie blijkt immers duidelijk of een ingreep zorgvuldig gebeurde , of er vergissingen gebeurden en of er accidenten waren.
Meer kwaliteit : moest een videoregistratie verplicht zijn, dan zal de autokontrole toenemen omdat men minder geneigd zal zijn ingrepen uit te voeren waarvoor men niet echt de ervaring/opleiding/competentie heeft.
Meer kwaliteit betekent minder complicaties en dus veel minder kosten voor de ziekteverzekering.

Alhoewel verhoging van kwaliteit en vermindering van kosten zeer aantrekkelijk lijkt  blijft er zeer veel weerstand.

Vergissingen en complicaties zullen duidelijk zichtbaar zijn
Men zou de videoregistratie kunnen gebruiken om de indicatie en de tarificatie van een ingreep te kontroleren.
Men zou videoregistratie als accreditering en als beoordeling van de individuele chirurg kunnen gebruiken.  Het probleem is dat dit niet enkel voor de assistenten kan maar dat erkende specialisten ook om de zoveel jaar zouden kunnen gekontroleerd worden (zoals nu gebeurt voor piloten)

In deze tijden van besparing, zou het misschien nuttig zijn de waarde van systematische videoregistratie te evalueren gezien de potentialiteit van belangrijke besparingen, en dit niet ten koste van kwaliteit maar met een verhoging van de kwaliteit voor de individuele patient.

Prof P. R. Koninckx

alles

Tuesday, September 1st, 2009

Blog site van Philippe R. Koninckx : Discussiepunten :
Alle commentaar is welkom ( PKoninckx@gmail.com ) en zal worden gepubliceerd (met antwoord) .

Structurele problemen
Onjuistheden en halve waarheden
Nuttig om weten
Structurele Problemen rond endometriose
01-04-2009 De belangenconflicten rond endometriose
Endometriose is een hype en dreigt te worden misbruikt. Klinisch is het een belangrijk probleem voor de patienten. De ziekte is niet erg goed begrepen ondermeer omdat er geen diermodel bestaat.(ook het baviaanmodel deugt niet – zie hieronder) Endometriose is belangrijk voor gynaecologen. want het is een verklaring voor pijn en infertiliteit en dus een indicatie/alibi voor IVF, operaties en hysterectomies. Endometriose is een ‘billion dollar’ markt voor de farmaceutische industrie mede owv de kost van pijn en werkverzuim.
De keuzebehandeling van endometriosis is de volledige chirurgische excisie terwijl medikale behandeling enkel palleatief is,(endometriose wordt enkel tijdelijk geinactiveert ).

  • De dagelijkse realiteit toont een overdreven gebruik van medikale behandeling, soms zonder diagnose, soms om niet toe te geven dat chirurgie onvolledig was, soms om patiente niet te moeten doorverwijzen.
  • De dagelijkse realiteit toont dat chirurgie vaak onvolledig of niet adekwaat gebeurt. De twee meest typische voorbeelden zijn de onvolledige excisie van diepe endometriose (soms zelfs een hysterectomie maar zonder excisie van de endometriose) en de nutteloos mutulerende resectie van het rectum (hetgeen soms bijna als routine gebeurt, soms zelfs in het kader van een studie, soms zelfs om een thesis te schrijven). Op het debat 2006 in Las vegas stelde ik als boutade ‘als de ovariele reserve minder is na chirurgie, dan is het tijd om uw advocaat te contacteren’. Dit als kritiek op de inadekwate ovariumchirurgie.
  • Er is een gebrek aan voldoende opgeleide gynaecologische chirurgen met als gevolg meer en meer vermijdbare rectumresecties voor diepe endometriose, iets wat spijtig genoeg meer en meer gebeurt . Dit heb ik bij herhaling gepubliceerd, en deze stelling verdedigd op de internationale meetings van AAGL (debat in 2008 en 2007) en ESGE (Amsterdam 2008), en op de recente meetings in Palermo, Athene en Moscow allen in 2008. Toch blijkt er in de praktijk weinig te veranderen. Patienten worden onjuist en onvolledig geinformeerd want de darmresectie wordt -ten onrechte- als noodzakelijk voorgesteld terwijl het feit dat het anders kan verzwegen wordt. Strict genomen is er dus geen “informed” consent. De patient realiseert zich niet dat in hetzelfde ziekenhuis de behandeling kan verschillen volgens de gynaecoloog.
  • Fertiliteitscentra hebben een belangengenconflict Ik heb deze stelling verdedigd op de plenaire vergadering van de ASRM in Philadelphia een paar jaar geleden bij het krijgen van ‘Surgeon of the year award’. In de jaren 80 waren de fertilteitsspecialisten doorgaans microchirurgen. Daarna kwam laparoscopie en terzelfdertijd de ontwikkeling van IVF. In de jaren 90 zag men de resultaten van chirurgie slechter worden (want iedereen deed het )en het aantal IVF cycli toenemen. Meest belangrijk is dat de fertiliteitsspecialist, die vroeger een micro chirurg was, een IVF specialist werd zonder of met beperkte chirurgische ervaring. Dit dreigt een groeiend belangenconflict te genereren omdat slechte chirurgie kan worden opgevangen met IVF (en het RIZIV betaalt tweemaal). Het beste argument voor deze stelling is dat, -te oordelen aan de publicaties- er nog weinigen excellent zijn én in IVF én in chirurgie (tenzij bij de ouderen). Vandaar mijn conclusie dat – moest ik minister van volksgezondheid zijn- ik IVF als een dienst zou organiseren die werkt op verwijzing (net zoals radiologie)en dat ik voor chirurgie een kwaliteitskontrole zou invoeren door video registratie verplichtend te maken of er alleszins een voorwaarde tot terugbetaling van te maken. Op deze manier zou men én de kwaliteit van chirurgie verhogen en het aantal zwangerschappen verhogen en dit met een lagere kostprijs. Inderdaad, een IVF baby kost rond de 20.000 € terwijl de een chirurgie baby minstens 5 maal minder kost.
  • De ondervertegenwoordiging van gynecologische chirurgen in adviesraden, in de ‘special interest’ groepen, en aan de universiteiten (zeker in de angelsaksische landen waar bijna alle mij bekende tenoren van de endoscopische chirurgie niet aan een universiteit werken.) Deze ondervertegenwoordiging is een logisch gevolg van het feit van de relatieve afwezigheid aan de universiteiten op wereldvlak, én van het feit dat chirurgie een artisanale bezigheid blijft die veel tijd vraagt en die men finaal zelf moet doen doen. Bovendien leent chirurgie zich minder goed tot onderzoek en wordt het minder gesteund door de farmaceutische industrie, zeker in tegenstelling tot de massale (marketing) steun aan IVF -door Victor Gomel het ‘medico-industrial complex’ genoemd- en van de medikale therapie.
  • De goedbedoelde ‘support groups’, de industrie, en de funding agencies worden subtiel misleid door de niet-chirurgen. Dit is eigenlijk niet te verwonderen want bij afwezigheid van chirurgen zetten de niet-chirurgen de toon en minimaliseren ze het het belang van chirurgie, soms uit eigenbelang, soms uit onwetendheid over chirurgie die ze vaak niet kennen of zelfs soms niet mogen doen ( als voorbeeld ).
  • Als besluit denk ik dat het tijd wordt kwaliteit van chirurgie met minimum standaarden te introduceren. Men moet zich bovendien bewust zijn van de gevaren van klemtoonvergissingen en ronduit onjuistheden zo het vooral niet chirurgen zijn die richtlijnen schrijven die dan voor politieke lobbying gebruikt worden. Onderzoek is belangrijk, maar de lobbying om specifiek voor endometriose onderzoek meer geld te krijgen lijkt mij overtrokken en eerder een pleidooi pro domo.
  • “Centra voor excellente chirurgie” zijn dan ook te verkiezen boven de “centers of excellence” die steevast door niet chirurgen gepromoot worden, mi om hun eigen positie te versterken.
    Prof Dr P.R. Koninckx

    Kommentaar door ….

  • 028-04-2009 Kwaliteitskontrole in de Endoscopische chirurgie
    In “The Independent” van 1 april verscheen een artikel over de verborgen gevaren van ensoscopische chirurgie Hierbij werd benadrukt data kwaliteit in chirurgie toeneemt met de ervaring. Als voorbeelden gaven ze bv een artkel uit het Memorial Sloan Kettering Cancer Centre, New York, dat stelde dat patienten beter verzorgd werden in gespecialiseerde centra, waar chirurgen voldoende ervaring hebben met een zekere ingreep. Om te besluiten dat met deze resultaten die aantonen dat endoscopische chirurgie vaak suboptimaal gebeeurt, chirurgen met onvoldoende ervaring misschien best blijven klassieke laparotomies doen. Als reaktie hierop schreef P. Koninckx dat ” het artikel en de conclusies geen rekening hielden met de individuele variabiliteit tussen de surgeons, noch met het feit dat er in chirurgie geen kwaliteitskontrole is van de individuele interventie”
    “Systematische videoregistratie van volledige interventies met authenticatie om achteraf eleke discussie te vermijden, is makkelijk doenbaar en kost weinig. Systematische videoregistratie laat toe de kwaliteit van de individuele interventie te beoordelen. Bovendien zou het kunnen gebruikt worden voor accreditatie als chirurg en voor eventuele intermittente re-accrediatie om de zoveel jaar. Medicolegaal zou toelaten complicaties te beoordelen en discussies vermijden. Bovendien laat het toe indicatie en tarificatie van een ingreep te beoordelen. Als besluit, zou verplichte systematische videoregistratie van volledige ingrepen, én de kwalteit van chirurgie kunnen verhogen aan een lagere kopstprijs (minder complicaties). Het is te verwachten dat chirurgen zich niet meer aan interventies zullen wagen zonder volodende ervating. Dit concept wordt echter moeilijk aanvaard door de chirurgen in het algemeen. Naast de vrees voor medicolegale gevolgen, is het concept dat erkenning/accreditatie beter zou gebaseerd worden op kwaliteit dan op het aantal uitgevoerde ingrepen erg bedreigend geizen niet iedereen die begint ook automatisch zal erkend worden. Vooral in endoscopische chirurgie lijkt kwantiteit alleen een onvoldoende criterium, iets dat evengoed waar is voor vele andere vaardigheden als tennis, voetbal of piano spelen. Evalueren van kwaliteits ipv aantallen is revolutionair en bedreigend. Ondanks alle moeilijkheden rond “door wie en hoe beoordelen en volgens welke criteria, verdient deze suggestie minstens een serene overdenking in het voordeel van de patienten. Zeker in gynaecologie stuit dit concept op weerstand owv de huidige subspecialisaties, waar elke subspecialiteit eigenlijk onvoldoende chirurgie pom iedereen op te leiden. Vandaar mijn voorstel om “pelvische chirurgie ” als subspecialiteit te erkennen. Dit zou toelaten progressief moeilijker ingrepen te doen dwz eerst diagnostische laparoscopies en laparoscopische hysterectomies, daarna dissectie chirurgie zoals de bekkenbodem en lymfklierdissectie in oncologie en pas daarna de echt moeilijke chirurgie als ernstige endometriose. Het is duidelijk dat deze volgorde niet past in de huidige subspecialiteitsprogramm’s”
    Prof Dr P.R. Koninckx
    Onjuistheden en halve waarheden
    01-04-2009 Het baviaanmodel voor endometriose deugt niet.
    Het is spijtig dat we geen diermodel voor endometriose hebben. Daarom startte ik in Kenya met de hulp van de EU het baviaan project op het IPR. Dit gebeurde onder de lokale supervisie van Chandrit Bambra en Mohamed Isahakia en werd uitgevoerd door Thomas D’Hooghe’ die er een thesis aan over hield. Na jaren onderzoek is het mij duidelijk geworden dat de baviaan geen goed model is voor endometriose.

  • Bavianen hebben spontane endometriose maar hetgeen wij gevonden hebben is enkel minimale endometriose. Bovendien werden in alle artikels de punten met 2 vermenigvuldigd zodat de endometriose artificieel veel ernstiger leek.
  • Ernstige endometriose als kystische ovariele en diepe endometriose komt occasioneel voor in het wild, maar wij slaagden er niet in dit te induceren (oa met immunosuppressiva) zodat het voor ernstige endometriose als model niet bruikbaar is.
  • Inductie van endometriose lukte een beetje voor typische letsels, maar of en waarvoor dit een bruikbaar model is, moet nog worden aangetoond.
  • De bekomen resultaten alhoewel gepubliceerd, moeten met de nodige voorzichtigheid worden beoordeeld gezien alles steunt op een vijtigtal primaten en een 250 tal laparoscopies. Bovendien verwijnt in de meeste van de meer dan 20 artikels de significantie (steeds net 0.05) wanneer 1 baviaan van groep wordt gewisseld. De beweringen en loftuitingen van de baviaan als model voor endometriose zijn mi dan ook erg overdreven en misplaatst. Ik heb dit reeds bij herhaling gezegd op internationale congressen. Dit in de internationale literatuur aankaarten stuit op het structureel probleem dat kommentaar artikels moeilijk publiceerbaar zijn.
    Prof Dr P.R. Koninckx
    Kommentaar door ….
  • 05-04-2009 Endometriose is een progressieve ziekte.
    Men blijft schrijven dat endometriose een progressieve ziekte is omdat endometriose bij de meerderheid van de patiënten een progressieve aandoening is

  • Alhoewel alles zogezegd evidence based is, zijn er geen gegevens die progressie aantonen. Er is wel suggestieve evidentie van het tegendeel : einde jaren 70-begin jaren 80 werden er in leuven door I Brosens en mezelf veel laparoscopies gedaan (cfr publicaties in pubmed) Het is ondertussen duidelijk dat het niet dezelfde patienten zijn die toen endometriose hadden die nu zeer ernstige vormen hebben.
  • Daarom vind ik de ‘endometriotic disease theorie’ zo belangrijk. Niet alleen legt het uit waarom endometriose een genetische voorbeschiktheid heeft, niet alleen legt men uit waarom er een causaal verband zou zijn met dioxines, meest belangijk is dat de diagnose van oppervlakkige endometriose geen fatalistische voorbode is van meer ernstige vormen.
  • De ‘endometriotic disease theorie’ wordt vaak genegeerd Inderdaad, als onderzoek over inplantatie van endometriumcellen tijdverlies is en subtle endometriose normaal is, dan zijn er ook geen fondsen nodig voor dit onderzoek naar inplanting.
    Prof Dr P.R. Koninckx
    Kommentaar door ….
  • 05-04-2009 Nuttig om weten
    05-04-2009 Wie doet welke chirurgie.
    Wie van de endometriose “specialisten” opereren niet ………
    In Europa : Thomas D’Hooghe (Leuven), Hans Evers (Maastricht), Stephen Kennedy (Oxford). In de USA : Bulun (Chicago), Olive, Schenken, Taylor etc
    Welke endometriose specialisten voeren bijna systematische een darmresectie uit voor diepe endometriose.
    Maurizio Abrao (Sao Paulo), Jeorg Keckstein (Villach), Christel Meuleman (Leuven), Luca Minelli (Verona), Remorgida (Torino), Paulo Vercellini (Milano),
    Welke endometriose specialisten hebben een onduidelijk chirurgisch profiel (darmresectie of laparotomie) voor ernstige diepe endometriose.
    Charles Chapron (Parijs), Dan Martin (USA), Paolo vercellini (Milaan)
    Welke endometriose specialisten kanten zich tegen een bijna systematische darmresectie uitvoeren voor diepe endometriose.
    Jacques Donnez (UCL), Philippe Koninckx (Leuven), Enda McVeigh (Oxford), Alfonso Rosetti (Roma), Antonio Setubal (Lisboa), Ornella Sizzi (Roma), Anastasia Ussia (Roma), Arnaud Wattiez (Strassbourg),
    Prof Dr P.R. Koninckx
    Bij eventuele vergissing zal deze lijst worden aangevuld. Kommentaar door ….
    Menopause vragen

    07-04-2009 Hoelang moet ik hormonen nemen na de menopause ? Is 10 jaar het maximum ?
    Deze vraag leeft bij de Belgische patiente, want men heeft wel ergens gehoord of gelezen dat men hormonen niet te lang mag nemen, of niet langer dan 10 jaar. Deze vraag lijkt eenvoudig.

  • Strict genomen zijn er me geen gegevens bekend die aantonen dat het risico zou toenemen met de duur van gebruik. Dus is er geen reden om ermee te stoppen.
  • Essentieel is hoe hormonale substitutie gepercipieerd wordt. Indien beschouwd als de vervanging van een niet meer werkende klier, dan wordt substitutie gegeven zoals een bril of een hoorapparaat, of zoals insuline bij diabetes patienten. Dus ‘zolang men leeft’.
  • Zij die menopause beschouwen als een ziekte willen als klachtenbehandeling zoveel ‘medicamenten’ geven als het moet maar zo weinig en zo kort mogelijk.
  • Zij die menopauze reduceren tot het probleem ‘osteoporose’ vinden dat 10 jaar genoeg is, want het duurt wel 15 jaar vooraleer er een klinisch osteoporose probleem optreedt.
  • Als besluit : er zijn vandaag geen medische argumenten om hormonale substitutie te beperken in de tijd. Wel kunnen er individuele argumenten zijn zoals onregelmatig bloedverlies met continuous combined therapie, of als men ‘er zich niet goed mee voelt’ al was het psychologisch. Als men enkel naar borstkanker kijkt stelt men soms 85 jaar voorop omdat men dan het ontdekken zo een 10 jaar zou kunnen uitstellen
  • Prof Dr P.R. Koninckx
    Kommentaar door ….

    Evidence based medecine

    Wednesday, March 5th, 2003

    Evidence Based Medicine is meer dan randomised Clinical trials

    P.R. Koninckx
    Dienstverloskunde-gynaecologie. UZ Gasthuisberg, KULeuven, B-3000 Leuven België. De Doelen, maart 2003 ;

    SAMENVATTING

    Evidence based medecine (EBM) als term werd geintroduceerd door epidemiologen en statistici die de RCT beklemtoonden als wiskundig zuivere modellen zonder vertekening. Bovendien laat dit meta-analyse toe, eveneens mathematisch correct. In deze puriteinse definitie is er kritiek gerezen over de moeilijkheden van het uitvoeren van de RCT, over de interpretatie en extrapolatiemoeilijkheden en over de selektiebias bij de meta-analyse. Indien voorgesteld als ‘de standaard voor geneeskundig handelen’ dreigt bovendien een onderschatting van het klinisch beslissingsproces waar context en individualisering belangrijk zijn. EBM als discipline die geneeskunde en statistiek integreert, die de meest adekwate proefopzet en statistische analyse onderzoekt, rekening houdend met kostprijs, tijd en haalbaarheid, en die een overzicht probeert te houden over de massale literatuur, en die zich voorstelt als een techniek en niet als een norm, is ontegensprekelijk en pluspunt. Om dit te illustreren wordt het belang van de observationele studies besproken, en. om het geheel historisch te situeren werd het parallelisme met rekenkracht besproken.

    INLEIDING

    De naam evidence based medecine (EBM) werd geintroduceerd door Britse en Canadese epidemiologen. EBM beklemtoont het belang van van de randomised clinical trial (RCT) en van de meta-analyse (zoals theoretisch ontwikkeld door Kuhn in 1962) als basis voor het medisch handelen. Over de inhoud heerst nogal wat verwarrring, gezien de term EBM door sommigen eng gedefinieerd wordt als RCT en meta-analyse. Gezien de kracht van het woord is de betekenis voor velen verschoven naar de letterlijke betekenis, namelijk dat geneeskundig handelen best op evidentie gebaseerd is, dat deze statistisch onderbouwd dient te zijn in tegenstelling tot authority bazsed medecine. In deze brede betekenis is er geen discussie, maar dan is EBM enkel een nieuwe term zonder inhoudelijke vernieuwing. Over EBM in de enge betekenis van RCT en meta-analyse .1;2 geconcretiseerd in de “Cochrane database for systematic reviews” zijn de meningen verdeeld 3-5. De kritiek varieert van het beklemtonen van de klinische beslissing en de context in tegenstelling tot de harde gegevens 6-9, -versta beklemtoning van de variabiliteit van de individuele patient- tot fundamentele kritiek waarbij het belang van de RCT in vergelijking tot andere onderzoeksmethoden voor het opstellen van guidelines in vraag word gesteld 10;11, waarbij retorisch gesteld wordt dat er geen evidentie is voor de superioriteit van de RCT 12om de kwaliteit van de geneeskunde te verbeterende en dat EBM een nieuwe vorm van ‘authority based medecine is 10 niet altijd eenvoudig te implementateren.13 terwijl anderen het belang van de klinische beslissing beklemtonen.

    Het lijkt daarom nuttig te overlopen wat het impact en het belang van EBM nu eigenlijk is, of dit echt een vernieuwing gebracht heeft, waar de grenzen liggen en welke lading de vlag nu juist dekt.

    1 geschiedenis

    De literatuur in de geneeskunde en de evidentie is gekenmerkt door een groeiende complexiteit van de gebruikte statische analyses, en dit loopt volkomen parallel met de toenemende rekenkracht. De geschiedenis van de evidentie in de geneeskunde zou ik indelen in drie tijdperken, de rekenlat, het rekenmachientje en later de (personal) computer. Elk boek van statistiek leert dat de wiskundige onderbouw voor de meeste testen vele decennia geleden gelegd werd, net zoals het in de fysica vaak verrassend is dat nogal wat theoretische concepten zo vroeg zijn ontwikkeld. En Vroeg betekent hier vaak voor de tweede wereldoorlog. Hetgeen ontbrak was de rekencapaciteit om deze formules op een realiste tijd met voldoende nauwkeurigheid uit te rekenen. Men dreigt te vergeten dat tot in de jaren 70 de rekenlat het enige instument was om te vermenigvuldigen en delen. Zij die dit nog meegemaakt hebben weten dat de rekenlat enkel een benaderende schatting gaf owv de onnauwkeurigheid van aflezen en de afronding tot 3-4 cijfers, komma’s inbegrepen. Bovendien was dit erg tijdrovend en waren vergissingen legio. Absoluuut ongeschikt dus voor complexe berekeningen. De mechanische rekenmachientjes waren technische juweeltjes, maar hun performantie was nauwelijks groter dan deze van de rekenlat. Zelfs de ‘moderne’ elektrische rekenmachientjes van het begin van de jaren 70 –de toen revolutionaire Olivetti’s leverden het resultaat van een deling slechts na minstens 30 seconden luid geratel. Het uitrekenen van een eenvoudige t-test tussen twee groepen van 20 metingen, vroeg minstens 2-3 uur werk. Voor een doorsnee artikel was dit 2-3 dagen. Bovendien was de mogelijkheid tot narekenen en kontrole totaal irrealist.

    Dit veranderde fundamenteel met de introductie van de rekenkracht van de computer De eenvoudige beschrijvende statistiek en testen gebeurt bijna automatisch en meer complexe analyses zoals de niet parametrische testen en de multivariate analyse werden mogelijk. Bovendien ontstonden een reeks testen waarvan de meeste onder ons wel de naam kennen doch waarven de exacte betekenis, belang en gebruik veel minder duidelijk zijn. Om er enkele te noemen die in ons vakgebied belangrijk zijn zoals cluster en discriminant analyse, logistische regressie en life table analyse. Elk van deze testen –zoals alle statistische testen- hebben specifieke beperkingen en zijn pas geldig indien aan een reeks veronderstellingen voldaan is. Bovendien bestaat nu reeds de wiskundige onderbouw voor testen waarvoor de huidige rekenkracht van de PC onvoldoende is voor grotere bestanden zoals hazard analyse.

    Zeer recent werd een radikale niewigheid geintroduceerd, evneeens gebaseerd op rekenkracht. Het onderzoek was tot nog toe bijna altijd ‘hypothesis driven”, waarbij statistiek de hypothese diende te bevestigen.. Recent ontstond in de moleculaire biologie het ‘non hypothesis driven’ onderzoek met de introductie van technieken als microarrays, SAGE, en proteomics. Deze technieken leveren zo massaal veel data dat nieuwe vormen van data-analyse dienden te worden ontwikkeld, de zogenaamde bio-informatica. Merk de omkering van de volgorde : menselijk denken en hypothese die geconfirmeerd wordt door statistiek, versus statistische analyse geinterpreteerd door menselijk denken. Men zou deze evolutie in analyse kunnen vergelijken met de bommen van de tweede wereldoorlog, later de slimme bommen en anderzijds ‘carpet bombing’.

    II Evidence Based Medecine

    De term EBM werd een tiental jaar geleden geintroduceerd door epidemiologen zodra de rekenkracht toeliet de wiskundige onderbouw daterend van de jaren 60 te implementeren.

    Authority based medecine heeft ontegensprekelijk vergissingen begaan. Het is echter makkelijk te glimlachen bij de hemi-colectomies als behandeling voor hysterie omdat men dacht dat gassen opstegen naar de hersenen, net zoals wij nu glimlachen bij de verhalen over het draaien van de aarde rond de zon. Deze houding waarbij vergissingen worden beklemtoont dreigt echter te doen vergeten hoeveel accurate kennis verzameld werd met deze observationele geneeskunde. Hierbij denk ik niet in de eerste plaats aan antomie, of aan de eerste geschriften rond endometriose van bij het begin van deze eeuw, maar aan meer recente ontwikkelingen als de antibiotica en de orale contraceptie, die uit het rekenlat tijdperk stammen. Orale contraceptie was een revolutievoor de vrouw. Het was tevens het eerste grootschalig gebruik van medicatie over langere periodes. Dit creeërde terechte bezordheid en stimuleerde de ontwikkeling van de epidemiologie, die moest toelaten uit deze massa aan gegevens conclusies te trekken over laag frequente neveneffecten op korte en lange termijn. Het was duidelijk dat observationele en cohorte studies verbanden kon aantonen, doch dat het moeilijk zo niet onmogelijk was een causaal verband te leggen. De case-control studie probeerde hieraan te verhelpen, maar de mogelijkheden tot bias blijven groot. De enige wiskundig en wetenschappelijk juiste manier om het antwoord te geven over één specifiek effect is de randomised clinical trial (RCT) met in zijn verlengde de meta-analyse, die de conclusies van meerdere clinical trials samenbrengt. Deze bekommernis voor adekwate statistiek en kennis, kreeg de naam EBM. Hierbij werd vergeten dat men steeds in geneeskunde geprobeert heeft kennis zo accuraat mogelijk te houden. Zelfs de beperkte statistiek van de jaren 70, was in zijn eenvoud EBM. Spijtig genoeg hebben nogal wat promotoren zich opgeworpen als de profeten van grote prospectieve gerandomiseerde trials in de epidemiologie. Hierbij mag men niet vergeten dat dit vaak wiskundigen zijn, waarvoor de RCT van levensbelang is, of waar een commerciële organisatie zoals de Cochrane hierbij valt of staat.

    De enge definitie van EBM=RCT is over de jaren progressief verbreed tot de discipline die zich bezighoudt met de meest adekwate statistiek voor het beantwoorden van klinische vragen. In deze zin is EBM niet verschillend van wat men in de voorbije decennia probeerde te doen. Wel laat de toenemende rekenkracht het gebruik toe van meer complexe analyses, die de kennis van de doorsnee clinicus overstijgen, zodat EBM in deze definitie een nieuwe discipline is die zich situeert tussen geneeskunde, epidemiologie en statistiek. Voorbeelden hiervan zijn de RCT voor evaluatie van een behandeling, de vergelijkende cohortstudie voor diagnose, de ‘inception cohort’ voor diagnose en de case-control voor een oorzakelijk verband.

    Een tweede verbreding van de definitie van EBM, is deze van de meta-analyse tot de discipline die zich bezighoudt met het vinden van de beste evidentie in de huidige massa aan literatuur. De noodzaak om op een geordende manier de groeiende massa literatuur te blijven overzien, neemt niet weg, dat deze discipline zich beweegt in het spanningsveld tussen de review, veel data, volledigheid maar interpretatiebias door de auteur en anderzijds het reduceren van de literatuur tot enkel RCT met de mogelijkheid tot het uitvoeren van een meta-analyse

    III De RCT

    De RCT is wiskundig waterdicht.Praktisch echter zijn er beperkingen. Het is duidelijk dat de RCT de meest geschikte methode is om het effect van een behandeling te evalueren. Het probleem stelt zich vooral voor grotere trials bij een groot aantal patienten waarbij kleine neveneffecten erg belangrijk zijn voor de volksgezondheid. Laat ons aannemen dat mits grote inspanning een perfecte randomisatie en blinde evaluatie kan worden uitgevoerd. Fundamenteel is er de kritiek over de indicatie tot het uitvoeren van een RCT, over de interpretatie en vooral over extrapolatie van de resultaten en over de kost in tijd en inspanning in verhouding tot de bekomen resultaten. De indicatie tot het uitvoeren van een RCT situeert zich tussen twee uitersten.: ofwel is de bestaande evidentie reeds zo groot dat het bijna onethisch wordt de trial uit te voeren, ofwel is het te verwachten effect zo klein dat het klinisch irrelevant wordt. De interpretatie en extrapolatie zijn misschien het grootste probleem. Doorgaans worden stricte inclusiecriteria gehanteerd om variabiliteit te vermijden en resultaten beter zichtbaar te maken. Dit impliceert echter dat de conclusies enkel valabel zijn voor deze beperkte goep en eigenlijk niet mogen geextrapoleerd worden. Zo zijn de recente HERS en WHI trials voor hormonale substituie enkel toepasbaar op de geincludeerde groep, namelijk oudere obese amerikaanse vrouwen behandeld met één specifiek oestrogeen. Of dit ook zo is voor andere groepen patienten staat ter discussie. Extreem gesteld zou men een studie kunnen doen by pygmeeën in Africa en de resultaten extrapoleren naar de alle patienten. Dit is de echte achillespees van de RCT : de resultaten zijn maar valabel voor de groepo waarop de studie werd uitgevoerd. Om te kunnen extrapoleren naar de ganse bevolking, dwz ook de dikkere en de magere, de diabetes en de hypertensie patient etc zou de inclusie een steekproef uit de populatie moeten zijn : snel wordt duidelijk dat de ideale RCT vaak technisch onmogelijk wordt. Dit leidt tot het aspect kostprijs en tijd. Rekenig houdend met het feit dat op slechts één vraag een antwoord gegeven wordt, bij een specifieke en doorgaans geselecteerde populatie lijkt de RCT een weinig performante test, die best gereserveerd wordt om essentiële vragen met een belangrijk impact op de volksgezondheid te beantwoorden. Bovendien is de RCT minder geschikt voor een reeks klinische problemen. Voor chirurgie is een stricte standardisatie van techniek, chirurg, indicaties en geassocieerde problematiek vaak onverzoenbaar zijn met de aantallen die noodzakelijk voor het beantwoorden van sommige vragen met voldoende zekerheid. Bovendien is de evolutie in technologie doorgaans zo snel dat trials vaak technisch obsoleet worden voordat voldoende aantallen zijn bekomen.

    De meta-analyse is wiskundig waterdicht. Het probleem is echter dat de selektie van artikelen doorgaans vrij arbitrair is, omdat artificieel een keuze gemaakt wordt voor ‘goed genoeg’ omdat ‘perfect’ bijna niet bestaat. Een literatuur van enkele honderden artikels resumeren tot een tiental RCT en de meta-analyse hiervan als dé waarheid verkondigen geeft soms de indruk van een gemakkelijkheidsoplossing, eerder dan het eerlijk zoeken naar de waarheid.

    Voorbeelden lopen altijd mank, en hebben slechts een anekdotische waarde. Wel kunnen zij sommige zaken verduidelijken. De RCT’s en meta-analyse van HMG versus rec-FSH kunnen worden geinterpreteerd als een bewijs dat de resultaten met rec FSH beter zijn. De conclusie dat wat meer activiteit per ampoule beter is, is echter even valabel. .

    IV Observationele studies.

    Het voordeel van observationele studies is dat er weinig selectiebias is en dat alle gevens voor analyse gebruikt worden. Het nadeel is dat de interpretatie niet toelaat causale verbanden met zekerheid vast te leggen. Voor snel evoluerende disciplines als chirurgie, blijft het zeer de vraag of de eerlijk desciptieve multivariate analyse van resultaten niet de meest performante manier is om gegevens te verzamelen, zeker indien men rekening houdt met het feit dat de resultaten van andere groepen gemakkelijk kunnen worden vergeleken. In een tweede tijd kunnen belangrijke vragen dan door een RCT worden ingevuld. Belangrijk is dat men zich realiseert dat de observationele studies de gegevens leveren om de noodzakelijke schattingen te maken om een RCT adekwaat te plannen, dat de observationele studies de meerderheid van de informatie levert, terwijl de RCT enkel deelaspekten confirmeert, en dat de observationele studies de enige zijn die informatie verschaffen over de extremen als bv de zeer obese patient..

    V Besluit.

    De geschiedenis van de rekenapparatuur loopt parallel met het soort statistische analyse dat gebruikt werd en wordt. Het belang van de observationele studies blijkt uit het verleden, terwijl de huidige rekenmogelijkheden voor grote databases deze observationele studies aan belang doen toenemen. Als dusdanig kan dit worden vergeleken met het ‘non hypothesis driven onderzoek’. Observationele studies hebben weinig selektiebias, een lage kostprijs in verhouding tot de bekomen informatie, en laten een praktisch continue evaluatie toe. Deze aspekten worden belangrijker voor de extremen van de populatie of voor een techniek die nog in volle evolutie is zoals de endoscopie. Alhoewel men altijd getracht heeft statistisch zo akkuraat mogelijke informatie te verzamelen ligt het belang van de EBM in het benadrukken van randomisatie en van de RCT. De RCT is theoretisch wiskundig ontegensprekelijk het meest valabele onderzoek voor het effect van een behandeling te evalueren. Al te vaak dreigt men echter te vegeten dat de RCT opgezet voor het opsporen van kwantitatief kleine effecten bij grote groepen patienten vaak moeilijk organiseerbaar is, vaak lang duurt, en duur is in verhouding tot de gegenereerde gegevens. Bovendien zijn de resultaten slechts toepasbaar voor de beperkte groep die samenvalt met de seletiekriteria. Daarom dreigt het ongenuanceerd gebruik van van de RCT en meta-analyse een verarming te zijn, eigenlijk de nieuwe authority based medecine vermomt in de schapenvacht van de EBM.

    EBM gedefinieerd als een nieuwe discipline die zich situeert tussen geneeskunde, statistiek en epidemiologie, die de meest adekwate studiedesign en testen beoogt zodat maximale informatie wordt bekomen op de korst mogelijke tijd tegen de laagste kostprijs en met de grootste zekerheid, en die zich tot doel stelt methoden te ontwikkelen om uit een overzicht te houden op de ganse literatuur en hieruit de best beschikbare evidentie te halen meest, nuttig en belangrijk. In deze definitie vervaagt het belang van de RCT tot een test tussen de velen. De observationele studie blijft mi de basis van het geneeskundig onderzoek met daarna specifieke testen waaronder de RCT die sommige aspekten hiervan nader onderzoekt.

    Tot slot dreigt het risico dat een ongenuanceerd gebruik van EBM sommigen laat stellen dat alles wat niet met zekerheid is aangetoond, niet waar is. Dit is misschien waar voor de toekomst, indien men goed beseft dat het zeer moeilijk kan zijn statistisch de afwezigheid van effect met zekerheid uit te sluiten. Ik meen dat het voorzichtiger is te stellen dat vooraleer men de ervaring van jaren geneeskundig handelen overboord gooit het minstens met zekerheid zou moeten worden aangetoond dat dit niet nuttig is.

    Reference List

    1. Raspe H. [Evidence-based medicine: popular nonsense, old wine in new bottles or current necessity?]
    Evidence based medicine: Modischer Unsinn, alter Wein in neuen Schlauchen oder aktuelle Notwendigkeit? Z.Arztl.Fortbild.Jena. 1996;90:553-62.

    2. Sackett DL, Rosenberg WM. The need for evidence-based medicine. J.R.Soc.Med. 1995;88:620-24.

    3. Charlton BG, Miles A. The rise and fall of EBM. QJM. 1998;91:371-74.

    4. Fugelli P. Clinical practice: between Aristotle and Cochrane. Schweiz.Med.Wochenschr. 1998;128:184-88.

    5. Egger M. [Under the meta-scope: possibilities and limits of meta-analyses]
    Unter dem Metaskop: Moglichkeiten und Grenzen von Meta-Analysen. Schweiz.Med.Wochenschr. 1998;128:1893-901.

    6. Collins JA. Clinical research evidence and clinical practice. Hum.Reprod. 1997;12:1847-50.

    7. Fletcher RH. Practice guidelines and the practice of medicine: is it the end of clinical judgment and expertise? Schweiz.Med.Wochenschr. 1998;128:1883-88.

    8. Greenhalgh T, Worrall JG. From EBM to CSM: the evolution of context-sensitive medicine [editorial]. J.Eval.Clin.Pract. 1997;3:105-08.

    9. Jacobson LD, Edwards AG, GranierSK, Butler CC. Evidence-based medicine and general practice [see comments]. Br.J.Gen.Pract. 1997;47:449-52.

    10. Couto JS. Evidence-based medicine: a Kuhnian perspective of a transvestite non-theory. J.Eval.Clin.Pract. 1998;4:267-75.

    11. Sondenaa K, Nesvik I, Solhaug JH, Soreide O. Randomization to surgery or observation in patients with symptomatic gallbladder stone disease. The problem of evidence-based medicine in clinical practice. Scand.J.Gastroenterol. 1997;32:611-16.

    12. Vennin P. [Evidence-based medicine (EBM)...an evidence?]
    Evidence-based medicine (EBM) … la medecine de l’evidence … une evidence? Bull.Cancer 1998;85:358-59.

    13. Aveyard P. Evidence-based medicine and public health. J.Eval.Clin.Pract. 1997;3:139-44.